Artikel Benefits of Nature in Vakblad voor de Bloemisterij

Vakblad voor de Bloemisterij heeft vorige week een uitgebreid artikel gepubliceerd over Benefits of Nature. In dit artikel komen ook Karin van der Eijk van VDE Plant en Jan Benninga van LEI aan het woord. Lees het artikel op deze pagina.

Deel deze pagina

BON maakt duurzaamheid inzichtelijk

Benefits of Nature (BON) tracht de uniforme standaard footprint voor de tuinbouw te worden. „Dat wordt nog een hele uitdaging, maar BON maakt wel voor het eerst duurzaamheid in de tuinbouw inzichtelijk en meetbaar. En daarmee wordt duurzaamheid minder een containerbegrip”, aldus Henri Potze, commercieel directeur.

Oprichter Henri Potze spreekt tegen dat Benefits of Nature (BON) de zoveelste duurzaamheidhype is. „Duurzaamheid is onderhand een wollig containerbegrip geworden. Daar kan BON niet onder worden geschaard, omdat het duurzaamheid inzichtelijk maakt op zowel bedrijfs-, proces- als productniveau. En dat alles aan de hand van data die verifieerbaar zijn. Zoveel mogelijk specifieke data en zo min mogelijk referentiedata. Voor iedereen helder en hetzelfde. Met BON valt niet te sjoemelen”, redeneert Potze.

Olievlek 

Is BON niet een al te grote ambitie? Potze geeft toe dat de uitdaging erg groot is. Hij is er heilig van overtuigd van de kans van slagen als voldoende ketenbrede data van de grond komt. „Links of rechts om zal de sierteeltsector aan een footprint moeten geloven. Dan kan je gaan afwachten dat die door handelskanalen wordt opgelegd of er zelf mee starten. En zo aanpakken dat de gehele keten, zowel verticaal als horizontaal eraan mee doet. Zo kom je tot een uniforme standaard footprint en niet verscheidene. Natuurlijk heb ik me zelf afgevraagd of het niet onbegonnen werk is, maar soms is het beter om maar te beginnen”, meldt Potze.

Tot dusver wordt de commercieel directeur bevestigd dat hij een juiste stap heeft genomen. „Sinds zes maanden timmeren we hard aan de weg. We komen bij kwekers, veredelaars, kennisinstituten en andere ketenpartijen over de vloer. Ons bevlogen verhaal krijgt voet aan de grond. Steeds meer. De BON-belofte groeit, en de toegevoegde waarde wordt zichtbaarder. Prachtige opdrachten die vervolgens ook weer een spin-off realiseren naar gekoppelde partijen in de tuinbouwketen. Onze olievlek wordt zo steeds groter.”

Mooie woorden, maar....

Zowel verticaal (toeleveranciers) als horizontaal (van veredelaar tot consument) specifieke data verkrijgen in plaats van referentiedata, lijkt een gans onmogelijke opgave. Lijkt, benadrukt Potze: „Er is al veel specifieke data. Elke MPS-deelnemers legt ze zo op tafel, evenals telers die Milieukeur, GlobalGAP of welk keurmerk dan ook voeren. En vergis je niet, niet alleen de sierteeltsector buigt zich over een footprint. Toeleveranciers bijvoorbeeld die er aan mee willen of kunnen werken, juichen een footprint op specifieke data toe. Ook zij zien immers hun kans schoon om zich ermee onderscheiden. Hé, hé eindelijk die cowboys eruit, was een reactie van een potgrondleverancier. En zo denken meerdere ondernemers door de gehele keten erover ”

Concreter worden over verscheidene opdrachten, daar gaat Potze vooralsnog niet dieper op in. Enerzijds om niet al te hoog van daken te schreeuwen, anderzijds om processen niet te frustreren. Openheid van zaken is geen enkel probleem over de pilots die al anderhalf jaar lopen op drie potplantenbedrijven: Ter Laak Orchids, potchrysantenbedrijf SV.CO en VDE Plant.

MPS te weinig onderscheidend

Zonder nu MPS door het slijk te willen halen, vindt Karin van der Eijk, eigenaar van VDE Plant in Woubrugge, dat duurzaamheid onvoldoende tot uiting komt in dit keurmerk. „Wij zetten veel in op biologische bestrijding; we zijn inmiddels gehalveerd in het inzetten van chemische gewasbeschermingsmiddelen. We zijn en blijven echter MPS A.” Het bedrijf recirculeert al sinds 1994 en het verbaast Van der Eijk tevens dat er nog steeds bedrijven zijn die niet op deze golflengte zitten. Met het meedoen aan de BON-pilot hoopt ze zich wel op den duur te kunnen onderscheiden. „Iedereen beweert ondertussen dat ze duurzaam bezig zijn.”

Veel inspanningen heeft het haar niet gekost, omdat ze data voorhanden heeft. Niet alleen als MPS-deelnemer, maar ook door in het bezit te zijn van goede registratieprogramma’s. Voor haar dus een voorwaarde dat BON hierop voortborduurt. Anders worden haar inspanningen een heel ander verhaal. „Op meer administratieve rompslomp door BON zitten ondernemers inderdaad niet te wachten en is dus ook niet ons uitgangspunt. We willen specifieke data, wensen geen nieuwe data”, vult Potze aan. 

Van der Eijk hoopt dat met BON ook een eind komt aan een woud van keurmerken. Ze durft niet te beweren dat BON het antwoord daarop is. Een bewering die Potze wel voor zijn rekening durft te nemen.

Al 10% winst

Ten opzichte van de nulmeting heeft VDE Plant al een verbetering van de BON-score van 10% over de gehele linie kunnen presteren met de focus op clusia in potmaat 14. Die winst is vooral geboekt doordat een grotere plantdichtheid wordt aangehouden. Van der Eijk verwacht dat de BON-score over 2015 nog gunstiger uitpakt, omdat ze samen Koppert een nieuwe opkweekstrategie heeft ontwikkeld. VDE Plant heeft de stekfase zelf in huis gehaald om minder uitval te realiseren. Hierbij ligt de focus op remming met natuurlijke middelen in plaats van chemische. 

Achtergrondkader

Potplanten als vertrekpunt

Sinds een aantal jaar bestaat er een internationale geaccepteerde methodiek om de milieubelasting van de productie van een product te berekenen. Deze methodiek heet Life Cycle Analysis (LCA), dus levenscyclusanalyse. EcoChain heeft hier een pakket voor ontwikkeld, waarop Benefits of Nature op voortborduurt en geschikt wil maken voor de tuinbouw.

Er wordt gestart in de potplanten, waarin het streven is in 2017 te komen tot een footprint gebaseerd op 27 milieufactoren waaronder CO2-emissie, klimaatverandering, waterverbruik, uitputting grondstoffen en inzet fossiele brandstoffen. Hierna zullen footprints volgen voor snijbloemen, bloembollen, zomerbloemen en boomkwekerijgewassen. De focus is in eerste instantie dus gericht op sierteeltsectoren; agf-sectoren volgen in een later stadium. Het inzicht uit de footprintberekening wordt gebruikt om een plan voor verduurzaming op te stellen. Hierbij wordt rekening gehouden met zowel ecologische als economische aspecten. Dit kan variëren van procesverbetering, efficiëntieverhoging en duurzaam inkopen tot marketingadvies en productontwerp.

De footprint is een tool die concreet meet hoe duurzaam de producten van bedrijven in de tuinbouwketen nou echt zijn, op bedrijfs-, proces- en productniveau. Alles leidt tot een getal, waarmee ondernemers zich kunnen profileren en waarop ze zich kunnen verbeteren. Dit moet gaan leiden tot een hoger rendement van bloemen en planten en hogere marges voor alle ketenschakels. Consumenten staan centraal; in eerste plaats dus om ze te voorzien van een mooie, duurzame, gezonde en eerlijke plant. En dat alles gebaseerd op vraaggerichte productie aan de hand van gerichte consumenteninformatie. Om de omslag van aanbodsgericht naar vraaggericht produceren te kunnen maken, ziet Benefits of Nature de noodzaak tot ketenintegratie, verduurzaming en innovatie. Hierdoor verbetert niet alleen de waarde van het product, maar ook het hergebruik van grondstoffen neemt af, evenals de waardevernietiging. 

Bij de totstandkoming van de footprint heeft Benefits of Nature nauw samengewerkt met LEI Wageningen UR, EcoChain en Waterdrinker. Inmiddels heeft zich een breed netwerk achter het initiatief geschaard van kwekers, veredelaars, kennisinstituten, handels- en andere ketenpartners.

Meningkader

Jan Benninga, LEI economisch onderzoeker

’Footprint moet controleerbaar zijn’

Als Jan Benninga, LEI economisch onderzoeker, eerlijk is dan is het hem om het even of Benefits of Nature (BON) nu de footprint van de tuinbouw gaat worden of een ander systeem. Welk systeem er ook komt, voor hem is belangrijk dat zo’n footprint controleerbaar is. En dat ketenbreed belangenorganisaties over hun eigen belangen heen kijken en het systeem ondersteunen en het belang in zien van een algemeen overkoepelend standaardsysteem. „BON is nog niet getest. Dus is het veel gevraagd aan een onderzoeker om zijn vertrouwen erin uit te spreken”, vraagt Benninga zich af. Om direct daarna uit te spreken dat ook hij niet alle wijsheid in pacht heeft.

Aan de zijlijn is hij betrokken geweest bij BON door zijn ervaringen omtrent de ontwikkeling van de CO2-tool van het Productschap Tuinbouw in te kunnen brengen. Benninga hoopt dat ze die adviezen ter harte nemen. „Het is van groot belang dat bedrijven zich zichtbaar kunnen onderscheiden op duurzaamheid. Alleen dan is er de prikkel om aan verbeteringen te werken. BON heeft dat in zich en zou zodoende de standaard tuinbouw footprint kunnen worden”,  ventileert de economisch onderzoeker.